“Creatief in preventie, steeds op zoek naar de juiste oplossing”

14 juni 2018

Ziekenhuisinfecties zijn de vloek van elk ziekenhuis. De taak van een ziekenhuishygiënist is net om het risico op dit soort infecties te vermijden en bij infectie adequater en sneller te kunnen ingrijpen. Door de meer kwetsbare populatie en de verhoogde resistentie - met als gevolg een toename van infecties - hebben zij de afgelopen decennia niet alleen heel veel werk bij gekregen, maar hebben zij ook de noodzaak aan experts in de materie kunnen bewijzen. “Een nulrisico bestaat echter niet”, zegt dr. Hilde Jansens, klinisch biologe en ziekenhuishygiëniste aan het UZA.

© © Belga Image

Als ziekenhuishygiëniste van een universitair ziekenhuis is Hilde Jansens mee verantwoordelijk voor alles wat hygiëne en infectiebestrijding betreft. “Wij moeten als team Ziekenhuishygiëne ziekenhuisbreed niet alleen met alle specialisaties samenwerken, maar ook met veel andere niet-medische diensten die in het ziekenhuis werkzaam zijn. Want alles kan een bron van infectie zijn.”

Maar zelfs een ziekenhuishygiënist heeft maar één hoofd en twee handen en kan niet alles controleren. Hoe blijf je door de bomen het bos nog zien? Ontzettend veel bedrijven claimen ‘het’ middel in handen te hebben waarmee je het risico op infecties tot een minimum kunt reduceren. Maar hoe scheid je nog het kaf van het koren? “Het is onmogelijk om alles ten gronde te controleren. Wij hebben vanzelfsprekend onze materialencommissie. Vooraleer iets wordt aangekocht, moet de aanvraag via deze commissie passeren. Want je zult maar een fantastisch apparaat kopen om nadien tot de conclusie te komen dat je het met geen mogelijkheid goed kunt reinigen en ontsmetten. De regionale platformen - groepen van ziekenhuishygiënisten uit dezelfde provincie - komen geregeld met elkaar in contact en wisselen op die manier expertise en ervaringen over nieuwe materialen en procedures uit. Netwerken is bij ziekenhuishygiënisten uitermate belangrijk,” lacht Hilde Jansens.

Nog voor de aankoop wordt het financiële totaalplaatje van een toestel opgemaakt. “Hoeveel kost dit toestel? Hoe kunnen of moeten we het ontsmetten? Hoeveel kost die ontsmetting? Welke extra kosten komen erbij voor onderhoud? Bij kleinere materialen is dat een vrij eenvoudige oefening. Maar bij grote toestellen geeft dat soms een probleem omdat je niet alleen naar het materiaal moet kijken, maar ook naar de mogelijkheden die je in huis moet hebben om dat materiaal op de meest doeltreffende manier te behandelen. Neem nu bijvoorbeeld een echografietoestel. Dat stuur je niet door de wastunnel. Wij werken nu frequent met fumigatie, waarbij toestellen in een gesloten kamer worden geplaatst en door middel van verstuiving van een ontsmettend product zo ontsmet worden.”

Antibacterieel

Dr. Jansens gelooft niet in het plaatje van antibacteriële vloeren. “Het is een basisregel dat vloeren in se altijd vuil zijn. Vloeren moeten dus altijd zeer goed onderhouden worden, wat in contact komt met de vloer is altijd gecontamineerd. Vanzelfsprekend ga je wel kijken naar de eigenschappen van een vloer. Die mag niet poreus zijn en moet gemakkelijk te onderhouden zijn. Voor de coating van muren en deurklinken kunnen antibacteriële materialen misschien wel een oplossing bieden. Soms vragen we dan aan de universiteit om bepaalde tests te doen zodat we een objectief beeld krijgen van wat mogelijk en niet mogelijk is. Maar één ding moeten we onthouden: er is geen enkele standaardmethode die universeel is en altijd werkt. Er zijn zoveel factoren die meespelen en die je in rekening moet nemen om de juiste materialen te kiezen of procedures uit te stippelen.”

De afgelopen jaren zien we hoe bepaalde, relatief eenvoudige, ingrepen de infectiegraad serieus hebben doen dalen. Denken we maar aan de handhygiëne. “We komen ook van ver. Eerst moesten de handen 3 minuten gewassen worden, daarna 30 seconden met handalcohol, … 100 procent compliance voor handhygiëne is echter moeilijk te realiseren. We kunnen alleen maar streven naar een automatisme, verbetering van de producten en het vergroten van de bereikbaarheid van die producten om zoveel mogelijk fouten uit te sluiten.”

De aandacht voor alle mogelijke vormen van besmettingsroutes, heeft geleid tot belangrijke innovaties. Volautomatische kranen waar geen elleboog meer aan te pas komt, kranen die zelfs volautomatisch spoelen om legionella te vermijden… In de patiëntenkamers is het gebruik van water sterk verminderd. Alle patiënten in het UZA worden met verzorgende washandjes, en dus zonder water, gewassen. “We zijn daarmee begonnen op de dienst intensieve zorgen en we hebben gezien dat dit zeer goede resultaten gaf. Als we de kosten-batenanalyse maakten, dan moesten we vaststellen dat dit voor het ziekenhuis haalbaar was. Zeker omdat waskommen echte bronnen van besmetting zijn.

Ziekenhuizen doen zelf, door de overheid gestuurd, zware inspanningen om het infectierisico te verkleinen. Accrediteringstrajecten zoals JCI, NiazQmentum helpen daarbij omdat ze een positief effect hebben op het verminderen van het infectierisico. “Het feit dat je alles moet uitschrijven, heeft het grote voordeel dat je ook meteen kunt zien waar het mis gaat en dat je procedures kunt uitwerken om die fouten er uit te halen.”

Outcome meten

Ziekenhuizen doen veel moeite, maar bereiken al die maatregelen ook hun doel? Verminderen ze de incidentie van en de mortaliteit door infecties? “Je moet de outcome meten: bloedbaaninfecties vermijd je door een correct catheterbeleid, urineweginfecties vermijd je via het correct gebruiken van de urinecatheter. Gebeuren de procedures correct? Worden ze goed opgevolgd? Zo hebben we een verbetertraject uitgestippeld voor blaassondes omdat we vonden dat we te veel infecties hadden. Iedereen weet dat elke patiënt na een week tot tien dagen met een blaassonde een verhoogd risico heeft op een infectie. De oplossing is eenvoudig: ga rationeel om met die blaassondes. Steek ze alleen als ze echt nodig zijn en hou het gebruik ervan beperkt in de tijd. En dat werkt…”

Maar ook het veel zorgvuldiger omgaan met de gegevens van besmette patiënten is cruciaal. “Schoolvoorbeeld is MRSA”, verduidelijkt dr. Jansens. “Vroeger werd een patiënt met MRSA naar huis gestuurd en de zaak was afgehandeld. Dat werd nergens genoteerd. Nu wordt het meteen in het patiëntendossier opgeslagen. Meldt iemand zich bij de inschrijvingsbalie aan, dan zie je meteen visueel bij de inschrijving dat dit een patiënt is die een besmetting meedraagt en kan men onmiddellijk de juist isolatiemaatregelen toepassen om zo verdere verspreiding te vermijden.”

Désirée De Poot

Een bijzondere groep: het schoonmaakteam

Cruciaal in het hele verhaal zijn ook de schoonmaakploegen. “Jaren geleden huurden we onze schoonmaakploegen. We zijn overgestapt naar een volledig eigen schoonmaakteam dat we hier ook zelf opleiden. Daarbij hebben we ervoor gezorgd dat de procedures die die mensen moeten volgen, duidelijk én eenvoudig zijn. Daarom werken we met zo weinig mogelijk verschillende producten. Die producten kent de schoonmaakploeg door en door en kunnen ze dan ook correct gebruiken qua dosis en inwerktijden etc. Ze kennen de volgorde waarin ze moeten poetsen en we vragen hen klamvochtig te poetsen om ook hier zo weinig mogelijk in de buurt van de patiënt met water te werken.”

“De bezorgdheid van een ziekenhuishygiënist gaat verder dan de zorg om de patiënt, ook familie en bezoek is betrokken. En verder moeten wij ervoor zorgen dat ons personeel veilig kan werken. Bij de schoonmaakploeg zien we dat zelf ook duidelijk: als referentieziekenhuis voor ernstige infecties zoals ebola, krijgen wij ook risicopatiënten binnen. Onze ervaring is dat vooral medewerkers die minder opgeleid zijn en dus minder kennis hebben, het meest angstig zijn en dus ook de meeste uitleg nodig hebben.”

Tendens om geïnfecteerde patiënten te weigeren

“De ziekenhuizen merken het steeds meer. Als een patiënt een infectie heeft met een multiresistente bacterie heeft, dan zien we dat andere zorginstellingen weigeren om die patiënten op te nemen. Zij geraken op die manier niet uit het ziekenhuis ontslagen. Gezien de kosten in de gezondheidszorg is dat een groot probleem.

Wettelijk mogen deze mensen niet geweigerd worden en wij hebben deze tendens al bij de overheid aangekaart, want we zien dat dit niet alleen ons probleem is. Steeds meer ziekenhuizen stellen vast dat het moeilijker wordt om geïnfecteerde patiënten die het ziekenhuis kunnen verlaten, door te sturen naar andere zorginstellingen.”

Drie hygiënisten voor een heel ziekenhuis

in het UZA werken drie hygiënisten: een arts (60%) en twee verpleegkundigen. “We verdelen daarbij een beetje de expertise, zodat we zoveel mogelijk terreinen overspannen”, zegt dr. Jansens. Drie hygiënisten voor 573 bedden op 25 verpleegeenheden en 30.000 patiëntenovernachtingen, 39 hooggespecialiseerde medische diensten die jaarlijks meer dan 700.000 patiënten op raadpleging zien komen, goed voor 3.000 medewerkers. Zijn drie hygiënisten dan niet wat weinig? Dr. Jansens lacht: “Met ons drie overstijgen we de eisen van de overheid. Maar ja, dat is weinig… In een ideale wereld heb je iemand die fulltime rondloopt en op de werkvloer bijstuurt. Als je de Belgische situatie vergelijkt met de rest van Europa, dan zit ons land bij de slechtere leerlingen van de klas qua voorziene bezetting voor infectiepreventie in de ziekenhuizen.”

De taak van ziekenhuishygiënist is niet eenvoudig. “Je moet geduldig zijn maar toch vastberaden om bepaalde procedures op te leggen. En je moet overtuigingskracht hebben. Je ziet niet onmiddellijk het effect van maatregelen die je instelt. Soms zie je ze zelfs niét, omdat patiënten naar huis gaan. Je moet dus diplomatisch zijn, doortastend maar ook creatief met een sterk vermogen om naar oplossingen te blijven zoeken… Een goede combinatie van Margaret Thatcher, Mary Poppins, Sherlock Holmes en Franciscus van Assisi in één persoon…”

Gelukkig wordt de laatste jaren het eigenaarschap van infectiepreventie ook breder gezien: we werken met referentieverpleegkundigen op de afdeling zelf. Zij kunnen ons helpen bij onze taak. Elke medewerker wordt meer en meer betrokken bij het beleid rond infectiepreventie.”