Eerst langs de kassa…

13 september 2018

Wanbetalers zijn voor ziekenhuizen een probleem, een groeiend probleem. Niet betalen is één ding, dat geld alsnog proberen te recupereren is een ander ding. Die recuperatie is nodig want het patiëntenaandeel van de ziekenhuisfinanciering schommelt per ziekenhuis rond de 12,5 procent.

© © Belga Image

“Op zich zien we bij ZNA een toename van de wanbetaling, maar niet in die mate dat ze alarmerend te noemen valt”, stelt Erik Van de Locht, CFO van ZNA, vast. Toch beaamt ook hij de pertinentie van het onderwerp. “Je moet het midden weten te houden tussen twee zaken. Vanuit onze missie zijn wij een toegankelijke instelling die open staat voor elke zorgbehoevende. Net hierdoor is onze exposure hoger dan gemiddeld. Anderzijds moeten de financiën in evenwicht blijven om precies die toegankelijkheid op lange termijn te kunnen blijven garanderen.”

Ook het UZ Brussel zit op die lijn. “De financiële druk op ziekenhuizen is de voorbije jaren toegenomen, dat is geweten”, stelt Dirk Corens, hoofd van de Financiële Dienst van het UZ Brussel. “We mogen ook niet vergeten dat het patiënten aandeel in de financiering van ziekenhuizen gegroeid is. Bij ons schommelt die rond de 12,5 procent. Dat aandeel groeit en daarmee groeit ook de groep van mensen die betalingsproblemen ondervindt. We stellen vast dat we meer inspanningen dan voorheen moeten doen om rekeningen betaald te krijgen. Wij communiceren in alle openheid over deze cijfers. Als we dan aan het einde van de rit gaan kijken naar de som die we als verlies moeten boeken – facturen die dus nooit betaald zullen worden – dan blijft het al bij al een stabiel cijfer. En als ik er nog even dit aan mag toevoegen: dit geleden verlies is geen exclusief verhaal van wanbetaling. In de praktijk doen zich ook andere situaties voor waarbij het niet – of nooit – tot een betaling komt. Een overleden patiënt waarvan de erfenis verworpen is bijvoorbeeld. Precies omdat de erfgenamen hiervoor bedanken, kunnen ze niet aangesproken worden. Wanneer uit de enquête van Zorgnet-Icuro blijkt dat het geboekte verlies rond de 2,5 procent van de patiëntenomzet zit, dan strookt dat ook met onze ervaring. Ook al moet rekening gehouden worden dat dit om verschillende redenen wat hoger ligt in Brusselse ziekenhuizen.”

Apart karakter factuur

Ziekenhuizen vergelijken met ‘klassieke’ ondernemingen is sowieso een hachelijke zaak, maar kan in deze geen verband gelegd worden? Per slot van rekening is een schuld gemaakt die op een of andere manier ingelost moet worden. “In essentie is dit inderdaad zo”, beaamt Yves Van Nieuwenburg, Woordvoerder van de BVI, de Belgische Vereniging van Incassobureaus. “Anderzijds zit er iets vrij unieks aan een ziekenhuisfactuur. Ze wordt veelal nagestuurd, en soms een hele poos later. De ervaring leert dat hoe langer die periode is, des te moeilijker zal het worden ze te innen als zich een betalingsprobleem stelt.” Bovendien zijn deze facturen vaak niet de enige waarrond een probleem bestaat, waarschuwt advocaat Jo De Nul. “Hiermee bedoel ik dat ze deel uitmaken van een breder verhaal van betalingsmoeilijkheden. Dan beland je al snel in scenario’s van schuldbemiddeling, tussenkomst van het OCMW en dergelijke. Maar u hoort me natuurlijk niet zeggen dat er heel wat facturen zijn die men op een traditionele manier zal proberen betaald te krijgen.”

Anticiperen

De volkswijsheid dat voorkomen beter is dan genezen, blijkt ook hier te gelden. “Onze administratie gaat pro-actief de dialoog aan met de patiënten”, stelt Erik Van de Locht. “Daardoor kan vermeden worden dat zij die financieel kwetsbaar zijn bovenop hun gezondheids problemen nog eens met kille invorderings-trajecten geconfronteerd worden. Daarnaast proberen we in de mate van het mogelijke onze patiënten in het ziekenhuis zelf te laten betalen bij een bezoek aan onze polikliniek of voor een behandeling op onze spoedgevallen. Voor gehospitaliseerde patiënten werken we met voorschotten.”

Navraag bij een aantal financiële verantwoordelijken leert dat bijzondere aandacht gaat naar patiënten wiens mutualiteit niet in orde is. “Ook wij aarzelen niet om onze sociale dienst in te schakelen”, legt Dirk Corens uit. “Erg belangrijk in onze opstelling is dat we nooit zorg zullen weigeren. Maar als we te maken hebben met een patiënt met een geschiedenis van wanbetaling, we hem een eenpersoonskamer zullen weigeren, zelfs als hij daar expliciet om vraagt. Zorg weigeren we nooit, maar luxe ontzeggen kan in specifieke gevallen wel. In de mate van het mogelijke proberen we klanten in het ziekenhuis zelf te laten betalen. Of we trachten met voorschotten te werken.”

Klassiek traject volgen

En wat wanneer zich een flagrant geval van wanbetaling voordoet? Klemtonen kunnen wat verschillen, maar de meeste ziekenhuizen volgen een soort standaardtraject. “Na de factuur volgt een eerste aanmaning”, legt Dirk Corens uit. “Komt daar binnen de dertig dagen geen reactie op, dan volgt een tweede aanmaning, nogmaals gekoppeld aan een periode van dertig dagen. Blijft ook dan reactie uit, dan werken we met een incassobureau.” Een logische stap, meent advocaat Jo De Nul. “De administratieve last hiervan mag niet onderschat worden”, stelt hij. “Het invorderen van facturen ligt trouwens erg ver van de core business van een ziekenhuis. Eigenlijk kan je in deze fase grosse modo twee wegen bewandelen. Je geeft de opvolging in handen van een incassobureau, of je beslist als ziekenhuis onmiddellijk verdere juridische stappen te zetten. Dit betekent: dagvaarden, wat trouwens moet gebeuren voor de vrederechter van de woonplaats van de patiënt. Dat is natuurlijk een erg resolute stap, waar heel wat kosten aan verbonden zijn en waarbij je een deurwaarder op de patiënt afstuurt. Los nog van de vraag of je er resultaat mee zal boeken, is dit – zeker naar imago toe – een werkwijze die ziekenhuizen eerder zullen schuwen.”

“Over de rol van incassobureaus bestaan wel wat misverstanden”, zegt Yves Van Nieuwenburg. “We hebben het hier over een minnelijke invordering, waarvan het verloop keurig bij wet is vastgelegd. We kijken met de betrokkene wat mogelijk is en proberen zo tot een oplossing te komen. In de praktijk merk je dat louter het feit dat er plots een externe partij bij betrokken wordt de dingen vaak in beweging zet. Feit is dat als we op vrijwillige basis niet tot een oplossing komen, onze rol uitgespeeld is. Dan is het aan onze klant, het ziekenhuis dus, te beslissen welke eventuele verdere juridische stappen gezet worden.”

“Het grote voordeel van te werken met een incasso-bureau is niet enkel dat ze over instrumenten beschikken die wij als instelling niet hebben”, zegt Dirk Corens. “Voor substantiële bedragen van boven de 1.000 euro gaan ze zelf ter plekke om met de patiënt in kwestie te spreken. Vaak kunnen ze ons heel wat nuttige informatie verschaffen over het profiel van de betrokken patiënt. Dit helpt ons in het nemen van een beslissing over het al dan niet zetten van verdere stappen. Maar vooral: er bestaan duidelijke afspraken over wat mag en niet mag. Zo is de enige kost die bovenop het bedrag van de factuur gevraagd mag worden de administratiekost die we voor onze tweede aanmaning aanrekenen. Op die manier vermijd je dat het verschuldigd bedrag de hoogte ingaat.”

Procederen?

“Krijgt men de zaken via de minnelijke weg niet of onvoldoende in beweging, dan heb je eigenlijk nog maar twee opties”, verduidelijkt Jo De Nul. “De zaak laten voor wat ze is, of een procedure opstarten. Daar zijn sowieso heel wat kosten aan verbonden, zonder garantie op succes. Net daarom merk je dat een grotere schroom aan de dag wordt gelegd om de stap te zetten.”

“Om precies deze redenen zal pas na een zorgvuldige afweging de beslissing genomen worden onze advocaat te belasten om verdere stappen te zetten”, bevestigt Dirk Corens.

En wat met het geld dat nooit gerecupereerd wordt? “Het gebeurt dat wij dossiers zonder gevolg klasseren”, legt Dirk Corens uit. “Dit berust op een inschatting die geval per geval gemaakt wordt. Het geleden verlies zal door het ziekenhuis gedragen worden.”

“Voor dergelijke situaties hebben we een afspraak met onze artsen dat ze met het ziekenhuis het verlies delen”, voegt Erik Van de Locht er aan toe. “Erg jammer is dit, want ook voor deze mensen hebben de dokters zich ingezet.”

“Dat bij ons de instelling alle verlies op zich neemt, heeft te maken met het feit dat wij als Universitair ziekenhuis vooral artsen in loondienst hebben”, besluit Dirk Corens.

Michaël Vandamme